14 – Ongrijpbaar

Ik tuur ernaar, maar zie het niet: het onttrekt zich aan iedere vorm
Ik spits mijn oren, maar hoor het niet: het maakt geen enkel geluid
Ik reik ernaar, maar grijp steeds mis: er is niets om vast te pakken.
Drievoudig niet te vatten, versmelt het tot één.

De opkomst ervan brengt geen licht,
De ondergang geen duisternis.
Er komt geen einde aan, het heeft geen naam, het verdwijnt weer in het Niets.
Een vormloze vorm, een beeltenis van Niets, vaag en ongrijpbaar
Ik kan er kop noch staart aan ontdekken

Ik volg de leidraad van Lao-tse’s Dao
Om vandaag werking te hebben
Zoals het was in den beginne, en nu en voor immer
Het Dao blijft richt-lijn voor mij.

Toelichting: de een-na-laatste regel komt uit de gebeden die de monniken in Abdij Lilbosch dagelijks meermalen zeggen. (Ik kom daar met vrienden al meer dan twintig jaar.)
De monniken zijn volgens mij aangesloten op eenzelfde Bron. Om hen te eren en te danken staat deze regel er in deze vorm.

Volgend vers