20 – Buitenstaander

Ik zie het verschil tussen ‘ ja knikken’ en ‘ja doen’
Ik zie het verschil tussen goed en kwaad
Moet ik daar bang voor zijn, net als de anderen?
Mijn verlatenheid is nog niet ten einde.

Ik zie iedereen vrolijk wezen, als bij een offerfeest
als bij de eerste lentetocht naar de bergterrassen
Ik sta alleen en geef geen krimp
Als een baby, pasgeboren, die nog niet gelachen heeft
Als iemand, ongebonden, zonder eigen plek

Iedereen bezit in overdaad
Ik alleen heb geen bezit
Ik lijk wel niet goed wijs.
Andere mensen vallen op,
Ik alleen val in het niet
Andere mensen treden op de voorgrond,
Ik alleen houd me op de vlakte
Ik ben een kabbelend golfje en waai met alle winden mee.

De mensen zijn druk en doelgericht
Maar ik alleen blijf koppig overal buiten
Ik verschil van andere mensen
Omdat ik mij laaf aan Moeder Natuur.